4 – In rook opgegaan

De dinsdag waarop Herman verdween was tot het moment waarop hij ‘s avonds het parkeerterrein van de sportschool in Breskens verliet, verlopen als een doodgewone doordeweekse dag. Hij had overdag in Terneuzen graafwerk verricht voor een rioleringsproject, was om een uur of vijf thuis afgezet door een collega, had een dutje op de bank gedaan, avondeten voor het gezin gemaakt en had na het eten zijn koelbox voor de volgende werkdag klaargezet. Omstreeks 19.15 uur was hij naar Breskens vertrokken om te gaan sporten bij Way of Life. Tijdens het sporten had Herman zich niet anders gedragen dan normaal en bij het afscheid nemen van zijn sparringpartner op de parkeerplaats – dat was tussen 21.15 en 21.30 uur geweest – had hij zelfs nog een grapje gemaakt. Toch heeft niemand hierna nog iets van hem vernomen en werd zijn auto later op de avond op slechts anderhalve kilometer van de sportschool onder verdachte omstandigheden teruggevonden.
Herman zou na het sporten niet rechtstreeks naar huis gaan, maar eerst nog even langs de brandweerkazerne in IJzendijke rijden om een vuilcontainer buiten te zetten. Om 23.15 uur was hij echter nog steeds niet thuis en sloeg zijn ongeruste vrouw Sandra alarm. Ze belde Gerard Tollenaar, een vriend en brandweercollega van Herman, die de route van Breskens naar IJzendijke via de polder in tegengestelde richting reed. Korte tijd later vond hij de verlaten auto van Herman. De auto stond op een stille en onverlichte plek op de Duivelshoekseweg, nabij het buurtschap Nummer Eén. Het was Tollenaar al gauw duidelijk dat er zich op die plaats iets ongewoons had afgespeeld, waarbij Herman wellicht onvrijwillig betrokken was. De auto was slordig geparkeerd en niet afgesloten. De automatische versnellingsbak stond nog in Drive en de sleutel stak in het contact. Naast de auto lagen enkele bezittingen van Herman, waaronder zijn portemonnee en brandweerpieper. Van enkele voorwerpen die bij de pedalen lagen, was vooral de aanwezigheid van een busje traangas een onheilspellend teken. Normaal lag dit busje in het zijvak van de autoportier. Van Herman zelf was geen spoor te bekennen.
Omdat de situatie zo verontrustend was, belde Tollenaar zijn brandweercollega Hans Himschoot op voor bijstand. In afwachting van diens komst bleef hij in zijn auto zitten, met de versnelling in de eerste stand, om bij onraad onmiddellijk te kunnen wegrijden. Toen Himschoot korte tijd later arriveerde, doorzochten zij samen tevergeefs de omgeving. Kort na middernacht arriveerde ook de politie en een brandweercommandant met een warmtebeeldcamera. Als Herman zich in de omgeving had bevonden, had men hem met deze camera moeten kunnen traceren, maar de zoektocht leverde niets op. Toen de auto de volgende dag door de recherche werd onderzocht, werden er op verschillende plaatsen op en rondom de bestuurdersstoel druppels bloed gevonden. Dit deed voor het ergste vrezen.

***