5 – De plaats delict
In hoofdstuk 1 noemde ik terloops dat ik ambulancechauffeur was geweest, maar ik heb ook gewerkt als juridisch en beleidsmedewerker. In die functies benaderde ik problemen altijd uiterst systematisch, maar toen ik me met de zaak-Ploegstra ging bezighouden, plonsde ik zomaar ergens middenin. Ik had immers geen verwachtingen, geen pretenties, geen opdracht en geen baas aan wie ik verantwoording af moest leggen. Een van mijn drijfveren was te kunnen begrijpen hoe een ‘Hollandse Casanova-op-klompen’ iemand zo tegen zich in het harnas had kunnen jagen dat die alleen nog genoegdoening had kunnen vinden in extreem geweld – koud en berekenend uitgevoerd. Vanuit puur medemenselijke interesse vroeg ik me af hoe het moment waarop Herman dit besefte voor hem was geweest. Hij had weliswaar regelmatig aangegeven dat hij bedreigd werd en zelfs gezinspeeld op zijn dood, maar op andere momenten had hij het gevaar ook weer gebagatelliseerd. Op de avond van zijn verdwijning was zijn stemming zelfs kort voor de overval nog prima geweest. Ik deed een poging om me in te leven.
Ik verlaat Breskens en rijd de nachtelijke polder in. De weg is smal maar recht, en zo glad als een biljartlaken. Voor me werpen de koplampen van mijn BMW X5 hun lichtbundels op het wegdek. Onder me gloeit de amberkleurige dashboardverlichting. Er is geen ander verkeer te zien. Links van me loopt het donkere silhouet van de acht meter hoge zeedijk met de weg mee. Rechts van me liggen de akkers, die aan de horizon donker afsteken tegen de donkergrijze hemel. Iemand die vers uit ‘het westen’ komt, zou zich in dit desolate gebied onder de zeedijk eenzaam en verloren kunnen voelen, maar voor mij is zo’n kort ritje door de verlaten polder pure ontspanning. Hoog boven de weg in mijn vierwielaangedreven X5, die deuren als kluisdeuren heeft en een koppel waarmee je een tractor uit de sloot kunt trekken, ben ik hier sowieso volledig in mijn element. Ik nader de rotonde met de Sterreboschweg. Hier staan enkele straatlantaarns. Ik kan rechtsaf om twee kilometer verderop de provinciale weg naar IJzendijke te nemen, maar ik kan ook rechtdoor: richting het gehucht Nummer Eén om vervolgens via kronkelige polderweggetjes IJzendijke te bereiken. Ik doe het laatste en rijd de duisternis weer in. Terwijl ik nog bezig ben te versnellen, wat in zo’n dikke SUV met automaat heel gemakkelijk gaat, hoor ik plotseling luid motorgeronk pal naast mij. Een grote zwarte sedan haalt me in en scheert daarbij rakelings langs me heen. Waar komt die ineens vandaan? Instinctief wijk ik uit naar rechts en kom met twee wielen in de berm. Maar het is niet voldoende, want de sedan snijdt me op levensgevaarlijke wijze af. Zijn remlichten flitsen op en zijn neus duikt naar beneden. Remmend en slippend weet ik een kop-staartbotsing op het nippertje te voorkomen. De deuren van de sedan worden opengesmeten. Dit is foute boel. Ik reik naar het busje pepperspray in het zijvak van mijn portier …
Wacht! Time out! Zo kon het nooit gegaan zijn. Er waren geen sporen te zien geweest die bij deze voorstelling van zaken pasten en de locatie klopte ook niet. Ik besloot een overzicht van de situatie te maken aan de hand van een satellietfoto uit 2010. Na twintig minuten knippen en plakken had ik het volgende resultaat.
In mijn voorstelling was Herman na het verlaten van de rotonde klemgereden. Zo ongeveer bij de pijl in de afbeelding. Maar die locatie kwam niet overeen met de plaats waar Hermans auto was aangetroffen. Dat was namelijk voor het hek van het Waterschapsterrein. Bovendien stond Hermans auto in mijn scenario nog steeds in de rijrichting, terwijl hij in werkelijkheid haaks op de weg stond. Als je niet beter zou weten, zou je denken dat Herman zijn auto daar had geparkeerd. Uit het feit dat hij de laatste meters met twee wielen door de berm was gereden en daarbij twee meeverende bermpaaltjes had geraakt kon je weliswaar afleiden dat de manoeuvre niet zo bedoeld was, maar hij leek wel beheerst te zijn uitgevoerd. Niets duidde op een agressieve wijze van klemrijden. Er waren geen rem- of slipsporen, geen lange sporen in de berm van Hermans auto die met 80 km/u was uitgeweken, er waren geen sporen van opgespat modder en er was geen blikschade. Hoe kon dat? Misschien had ik te veel Amerikaanse politiefilms gezien en kon je iemand ook op minder spectaculaire wijze tot stoppen dwingen.
Ik overwoog verschillende mogelijkheden, waarmee ik het raadsel al wat systematischer begon te benaderen. Kon de dader de weg geblokkeerd hebben, met een vrachtwagen of – het blijft tenslotte Zeeuws-Vlaanderen – een trekker met aanhanger? Theoretisch was zoiets te doen, maar praktisch leek het me moeilijk. Zo’n opvallend voertuig zou dan al een hele tijd stand-bye moeten staan. En in het donker had men op grote afstand de BMW van Herman moeten herkennen om de weg tijdig te kunnen versperren. Op dat moment mocht er absoluut geen andere weggebruiker in de buurt zijn, want anders waren ze er gloeiend bij. Een vrachtwagen, laat staan een trekker met aanhanger, was bovendien niet bepaald het ideale voertuig om mee te vluchten.
Ik kreeg een ander idee. Herman wist dat er op hem geloerd werd. Op het ene moment maakte dit hem angstig, op het andere moment leek hij het gevaar rationeel te kunnen relativeren. Het relativeren overheerste blijkbaar, want hij had geen aangifte gedaan, was niet ondergedoken en waagde zich laat op de avond in zijn eentje in de pikdonkere en verlaten polder, op een weg die nota bene Duivelshoekseweg heette. Als er op dat moment echter een auto achter hem was verschenen waarvan de inzittenden hem op niet mis te verstane wijze duidelijk hadden gemaakt dat hij moest stoppen, had hij daar misschien gevolg aan gegeven om erger te voorkomen. Maar waarom had hij dan toch het busje traangas gepakt?
Met mijn collega Dennes (geen typfout), ex-directiechauffeur, ex-chauffeur gepantserde voertuigen en wat dies meer zij, filosofeerde ik over de zaak. De hamvraag was hoe je iemand zonder schade en andere sporen tot stilstand kon dwingen. We bespraken onder meer de mogelijkheid van inboxen, maar kwamen uiteindelijk niet verder dan allerlei onrealistische methoden.
Ik kwam er niet uit, maar mijn gepeins leverde wel de voorzichtige hypothese op dat Herman geconfronteerd was met een overmacht en zich daarom zonder verzet aan zijn belagers had overgegeven. Ik ging er vooralsnog ook vanuit dat er meerdere voertuigen bij de overval betrokken waren geweest, omdat er wellicht een uitkijk nodig was en omdat een enkele auto vermoedelijk onvoldoende was om Hermans lichtvoetige tank aan de kant te krijgen. Ik besloot de focus van mijn onderzoek te verplaatsen: wie van Hermans vijanden was bereid en in staat een dergelijke meedogenloze en professionele knokploeg op de been te brengen? Het kon er eigenlijk maar één zijn.
***